serie: Utrechtse plekken met een verhaal

Er is een plek in het Centrum van Utrecht die ik op een andere manier beleef sinds ik daarvan de geschiedenis ken. Het betreft een cel waar iemand 57 jaar vrijwillig in opgesloten is geweest. Je kunt op die plek staan, het winkelend publiek loopt er elke dag overheen en heeft geen idee.

Mijn vader is als gids verbonden aan de stichting ‚Het Gilde’ die als doel heeft kennis over de geschiedenis over het ontstaan van Utrecht levend te houden. Onder andere door rondleidingen te geven. Hij was mijn bron voor meer van dat soort plekken in de stad.

We zijn tot 4 verhalen gekomen die voldoen aan het criterium dat deze dichtbij de mens moeten staan. Duidelijk plekken waar je elke dag langs kunt komen met min of meer persoonlijk invoelbare situatie uit verleden. Ken je het verhaal dan zie je voortaan de plek in een heel ander licht.

De plekken waar het om gaat zien er gewoontjes uit. Net als elke binnenstad met een middeleeuwse oorsprong. Midden op de dag gefotografeerd is er niets bijzonders aan. Om er een mysterieus/spannend tintje aan te geven bedacht ik om deze bij nacht te fotograferen. Blauw ingeflitst, geïnspireerd door scenes in films en TV-series die in de nacht plaatsvinden en waar ook vaak blauw licht wordt toegepast.

Om de kijker een hint te geven waar het om draait in de foto heb ik de plek van het verhaal met een geel lichteffect geaccentueerd.


Vrijwillig opgesloten

Weinig is bekend over het leven van Berta Jacobs. Niet veel meer dan haar bijnaam: Suster Bertken. In 1426 of 1427 werd de onwettige dochter van Jacob van Lichtenberg, proost van het kapittel van de Utrechtse Sint-Pieterskerk en later vicaris-generaal, geboren. In 1457 liet Suster Bertken zich insluiten in een cel in de Buurkerk. De kluis, die ze zelf had laten bouwen en bekostigd, zal niet groter geweest zijn dan 3,75 bij 4 meter (Ferguson, 1988, p. 455). Maar liefst 57 jaar bracht ze er door. Al tijdens haar leven maakte de insluiting haar beroemd: toen ze stierf liet de deken van het domkapittel de klokken tweemaal voor haar luiden, wat men gewoonlijk alleen deed voor belangrijke geestelijken. Uit rekeningen blijkt dat vele mensen Bertkens begrafenis in haar eigen kluis hebben bijgewoond; zes kerkwachters kregen een extra beloning voor het bewaken van de orde tijdens haar ter aarde bestelling. Haar graf is nooit meer teruggevonden, men situeert het nu onder het huidige pand op Choorstraat 25. Hoe Berta Jacobs de 57 jaren in de cel heeft doorgebracht wordt zeer beknopt verteld. Ze droeg al die tijd dezelfde kleding, namelijk een grof haren kleed. Ze at geen vlees of zuivelproducten en liep op blote voeten in haar onverwarmde cel, want ze maakte nooit vuur. Als recluse, ingekluisde, vulde ze haar dagen vooral met bidden en mediteren. Ze kon vanuit haar kluis makkelijk alle diensten volgen, want ze had uitzicht op het heilig 'cruys-choor'. Verder hield ze zich bezig met spinnen, weven, en schrijven. Ook praatte ze in de middag met voorbijgangers die langs haar cel kwamen. Veel mensen bezochten een kluizenaar/kluizenares om raad te vragen of gewoon voor een luisterend oor. Al luisterend en adviserend heeft Bertken zich behoorlijk populair gemaakt. Het was dus niet een leven in volstrekte eenzaamheid. Er is lang gespeculeerd over de reden waarom Berta zich vrijwillig liet opsluiten in een minuscule ruimte en daar haar dagen sleet tot haar dood. Toen in 1958 duidelijk werd dat Bertken een buitenechtelijk kind was, heeft men daar de oorzaak gevonden van de 'zondigheid' waar Bertken steeds over rept. Ze zou als boetedoening voor haar onwettigheid zich hebben laten insluiten in een cel. Ten gevolge van de Reformatie werd in 1580 het katholicisme verboden en het bisdom opgeheven. De opheffing van kapittelimmuniteiten en kloosters bood de mogelijkheid de vele doodlopende straten te saneren. Zo werd het koor van de Buurtkerk gesloopt waardoor verbinding tot stand kwam tussen de Stadhuisbrug en de Lijnmarkt: de Choorstraat. In de bestrating zijn de oorspronkelijke kerkmuren aangegeven en op de plek van de cel ligt een gedenksteen. Voor een winkel met bruidskleding. Geraadpleegde bron: www.kb.nl

Het verborgen huisje

Op het achtererf van een claustraal huis van Sint Marie werden in de 15e eeuw enkele ‘kameren’ gebouwd, die twee eeuwen later door nieuwe huisjes werden vervangen, in een hofje genaamd De Wijde Poort. In nr. 11 en 13 bevinden zich nog 17e-eeuwse resten, nr. 13 stamt grotendeels uit de 19e eeuw. Het huis was vanaf 1900 in gebruik als pakhuis. Het ligt op het binnenterrein van de huizen aan de Mariastraat en is nog steeds een groene oase. Tussen de fundamenten van de afgebroken kameren zijn een kruiden-, bloemen- en rozentuin te vinden. Het huisje is bereikbaar via de Wijde Poort aan de Mariastraat tussen Café Boslust en Café het College. Op driekwart van het steegje ga rechts het gangetje is en aan het eind is de toegang naar de tuin van het huisje. De Wijde Poort is gesloten van 18:00 tot 8:00. Geraadpleegde bron met foto van het huisje: http://www.openmonumentendagutrecht.nl/detail.aspx?id=234053

De steen aan de ketting

Een bijzonder verhaal is er verbonden aan de Utrechtse steen, die vastgeklonken ligt bij het hoekhuis van de Eligenhof en de Oudegracht nummer 364. Die grote steen was daar oorspronkelijk neergelegd om het huis bij het slepen van vrachtgoederen of het rijden van wagens, voor schade te behoeden. 
In 1520 lag ze er al. Maar pluis was het niet met de steen, die er overdag zo doodgewoon uitzag. Stel je voor... wanneer je 's nachts om twaalf uur bij nieuwe maan een speld in een van haar bleke aderen stak, vloeide er bloed uit. En dat was nog niet alles! Nog lang niet… Midden in nacht kwamen er allerlei boze geesten, reuzen, heksen en tovenaars. Ze dansten rond de steen. Ze knikkerden er mee over de keien van de Oudegracht. Ze kaatsten er mee als een bal heen en weer van de Vollersbrug over de Oudegracht naar de Geertebrug. Heen en weer! Hoepla! Heisa! Het was een afschuwelijke herrie en de burgers van Utrecht konden niet in slaap komen van het lawaai. "Maar... met reuzen, tovenaars en heksen moet een mens niet spotten”, zeiden ze hoofdschuddend. Eindelijk werd het toch al te bont. Horen en zien verging je! Men hield een nachtelijke optocht en wist alle boze geesten in het donkere water van de gracht te bannen. Ze schrokken zo van die ontzaglijke mensenstoet, dat men ze nooit meer terug heeft gezien. Voor alle zekerheid liet men de kei toen nog aan banden slaan. En na die tijd kwam er geen bloed meer uit haar aderen. En Utrecht was, in de nachtelijke uren, stiller en vrediger dan ooit. Geraadpleegde bron: Volksverhalen Almanak www.beleven.org

2000 jaar geleden lagen hier al bootjes op de kant

De Oude Gracht maakt twee bochten, die volgen de originele rivierloop. De rechte stukken zijn gegraven. In de tijd voordat de stenen muren van de oude gracht waren gebouwd legde men met bootjes aan in de buitenbocht van de rivierloop. Daar kon je het makkelijkst bij de kant komen. Utrecht was in de Middeleeuwen een belangrijk knooppunt in het handelsverkeer over het water. Toen in de 11de en 12de eeuw de Oude Gracht werd gegraven, maakten de wisselende waterstanden de opslag van koopwaar niet eenvoudig. De pakhuizen lagen hoog op een talud, bóven het steeds stijgende en dalende waterpeil. Dat veranderde in de 13de eeuw, toen het water zakte als gevolg van moerasontginning rond Utrecht, de afdamming van de Rijn en de aanleg van sluizen. De koopwaar moest nu van boot naar opslagruimte een hoogteverschil van zo'n drie meter overbruggen. Om het laden en lossen te vergemakkelijken, kwamen er kaden langs het water van de Oude Gracht, de werven, met overdekte 'tunnels' naar de kelders van de huizen. Als zo'n tunnel dezelfde breedte had als het bijbehorende perceel, spreek je van een werfkelder. Geraadpleegde bronnen: Henk Feringa, collectieutrecht.nl, Wikipedia